“Welk pad staat voor ‘hoofd’?”

We staan in het bos. Ik wijs intuïtief een pad aan. Recht toe, recht aan.

Ik loop erin en kijk om me heen. Neem het geheel van bomen en struiken, levend of dood, kaal of vol bladeren, in me op. Ondertussen voel ik wat er bij mezelf gebeurt. Mijn lijf wordt zwaar. Een brok in mijn keel. Droefheid. Verdriet. Wanhoop. Het trekt me naar beneden.

Hart

Ik laat het even op me inwerken en keer dan terug naar het grote bospad, om van daaruit naar de plek te gaan die voor mij voor ‘hart’ staat. Een aantrekkelijk tafereel. Met een grote dikke beukenboom, te midden van zijn eigen losgelaten bladeren op de grond. En een lange, liggende berkenstam.

Ik leun met mijn rug tegen de beuk en voel. Mijn hand op mijn hart.

“Wat komt er in je op?”

“Verdriet”, zeg ik, terwijl er tranen in mijn ogen opwellen.

“En wat nog meer?”

“Vertrouwen. Vertrouwen dat het goed gaat.”

Steun

Ik laat me zakken. Op mijn knieën leun ik nu tegen de dikke beuk. Die voelt als een grote steun in de rug. Ik kijk om me heen. En zie de zon voorzichtig tussen de takken schijnen. Het ontroert me. Het is dezelfde zon die zíj ziet. Op een geheel andere plek op deze aardbol.

En zo voel ik de verbinding. Via de zon. En het vertrouwen dat in mijn hart schuilt, en zegt ‘het komt goed’.

Een tijdje blijf ik zo zitten. En kom dan langzaam omhoog. De behoefte voelend mijn schoenen uit te doen en de grond onder mijn voeten te voelen.

Aarden. Nog verder zakken in mijn lijf. Het voelt als een verademing. De frisse bladeren onder mijn blote voeten. In slow motion loop ik over de humuslaag daar waar mijn voeten me willen brengen. Intuïtief.

Balans

En zo balanceer ik vervolgens over de liggende berkenstam. ‘Balans’, gaat er door me heen. Het leven is steeds weer zoeken naar de balans. Balans tussen verdriet en vreugde. Tussen angst en vertrouwen. Tussen hoofd en hart.

Ik loop terug naar ‘mijn’ boom. Onderwijl zie ik paddenstoeltjes tussen de humuslaag van bladeren door piepen. En valt mijn oog op een eikel. Een eikel onder een beukenboom. Er verschijnt een lach op mijn gezicht.

Alvorens mijn schoenen aan te doen, loop ik nog een rondje rond de grote dikke beuk. Terwijl ik mijn hand langs de bast laat glijden. ‘Dankjewel boom.’ Met je overhangende tak als ‘shelter’. Bescherming biedend aan mij. En een zonnig lichtpuntje doorgevend tussen de bladeren door.

Anker

De periode erna blijft dit beeld in het bos voor mij een anker. Als mijn hoofd op volle toeren draait en fantaseert. En verschillende scenario’s de revue passeren die mijn angst en zorgen doen aanwakkeren. Op zo’n moment keer ik in gedachten terug naar die ene plek in het bos. Leunend tegen die grote beuk. Kijkend naar de sprankeling van de zonnestralen tussen de bladeren door. De verbinding en het vertrouwen voelend in mijn hart. Wetende dat het goed komt…

 

‘Als er even geen verbinding is

Kijk dan naar de zon en de maan

Die hier, maar ook dáár

Aan dezelfde hemel staan.’